Vaccinatie

Er bestaan een aantal verschillende vaccins die ingezet kunnen worden in de vleeskalverhouderij. Het grootste deel van deze vaccins is gericht op het voorkomen of verminderen van longproblemen. Dit is vanwege de grote verliezen en het hoge antibioticumgebruik vanwege deze aandoeningen. Om luchtwegaandoeningen te voorkomen moeten zaken als klimaat, voeding en management geoptimaliseerd worden. Daarnaast kan vaccinatie, mits juist toegepast, bijdragen aan een beter bedrijfsresultaat. Vaccinatie wordt ingezet om de gezondheid te verbeteren én het productieverlies te beperken. Zo heeft het minder uitval, een hogere groei en meer werkplezier tot gevolg. 

Afweer
Afweer krijgen de kalveren mee via de biest. Tenminste dat hopen we, want een goede biestvoorziening door de melkveehouder is hierin essentieel. Daarnaast gaat het kalf door blootstelling aan ziekteverwekkers in zijn of haar omgeving zelf ook afweer opbouwen. Deze processen vullen elkaar onvoldoende aan. De afweer via biest verkregen loopt terug naar nul in de eerste 10 à 12 levensweken, terwijl de zelfgemaakte afweer pas op peil is na een week of 10. Er is dus een “gat” in de afweer. Dit is, zoals u zelf waarschijnlijk ook merkt, de periode waarin we de meeste problemen zien op de vleeskalverhouderij, ongeveer tussen de 3 en 10 weken na opzet.  

Met name in deze eerste periode is het optimaliseren van de omgeving van het kalf de beste bescherming. Hier komen termen als goed voer, schoon drinkwater, licht, hygiëne en dergelijke voor de dag. Zo heeft een kalf de meeste energie voor een gezond immuunsysteem.  

Hoe werkt vaccineren precies?
Het toedienen van een vaccin prikkelt het afweersysteem van het kalf. Het vaccin bevat een verzwakte of afgedode variant van een veel voorkomende ziekteverwekker. Het kalf kan deze ziekteverwekker dan zonder al te grote gevolgen leren kennen. Dit proces kost even tijd maar kan het kalf tijdens zijn verdere leven op het kalverbedrijf beschermen. Komt er dan een grote golf van deze ziekteverwekker langs, dan kent het lichaam deze al en kan het snel en adequaat reageren.  Het verschilt per vaccin hoelang het duurt voordat deze afweer is opgebouwd, variërend van direct lokale bescherming tot zo’n 4 weken na een afgeronde vaccinatie. Hoe lang de bescherming aanhoudt varieert per vaccin.  

Waarom werkt een vaccinatie soms niet?
Vaccinatie heeft niet altijd het gewenste effect. Dit kan aan een te hoge verwachting liggen, maar ook praktische zaken kunnen het effect beïnvloeden. Denk aan: 

  • Bedrijfsvoering is niet optimaal (vaccinatie lost geen managementproblemen op)   
  • Conditie van de dieren is niet voldoende (immuunsysteem heeft te weinig kans om aan de slag te gaan) 
  • Niet passend vaccin (de ziektemaker is een andere bacterie of virus dan waartegen gevaccineerd wordt) 
  • Gevaccineerde dieren gemengd met niet-gevaccineerde dieren (het is in veel gevallen belangrijk het hele bedrijf gevaccineerd te hebben)  

Vaccinatie is maatwerk!
Conclusie: vaccineren is maatwerk! Wat de buurman doet is niet zomaar toepasbaar op uw bedrijf. Het is belangrijk om te weten welke van de veelvoorkomende ziekteverwekkers wel, en welke niet op uw bedrijf voorkomen. Middels bloedonderzoek en/of longspoelingen is vast te stellen welke verwekkers momenteel een rol spelen in de ziekteverschijnselen op het bedrijf. 

Een goed ingepaste vaccinatie kan zeker helpen!
Vaccinatie kan in veel gevallen leiden tot betere bedrijfseconomische resultaten. Houd daarbij in gedachten dat vaccinatie nooit eventuele minder gunstige omstandigheden op stal kan opvangen! Het betreft altijd een aanvulling op de al getroffen maatregelen in het management.

Terug naar kennisbank 

Delen via